Terug

Wat leert uw kind in Groep 3, blok 2?

 

Blok 2 loopt ongeveer van eind september tot half november. In die periode komen de leerlingen de volgende onderwerpen tegen:

  • Splitsen en de splitsflat
  • Getallenrij tot 20 en klokkijken

 

Splitsen en de splitsflat

Als uw kind weet wat de getallen betekenen kan hij of zij meer leren over de getallen. Bijvoorbeeld dat 5 bestaan uit 4 en 1. Wat het hier leert is getallen splitsen. 5 kan op verschillende manieren worden gesplitst. 4 en 1, maar ook 2 en 3. Dit is allebei goed. Maar hoe kan je dat opschrijven? Daar is het plusteken (+) voor nodig. Op school maakt uw kind op de volgende manier kennis met het plusteken. De leerkracht vraagt 5 leerlingen voor de klas te komen staan. Dan vraagt de leerkracht of 3 van deze leerlingen bij de deur willen gaan staan en 2 aan de andere kant van het lokaal. Wat is er nu gebeurd? De groep is gesplitst. Hoe kunnen we dat opschrijven? Er zijn er 3 en 2. De leerkracht schrijft een 3 en een 2 op het bord. Maar deze horen bij elkaar, want het was een groepje van 5. Daarom schrijft de leerkracht er een + tussen. Dit wordt nog een aantal keer herhaald met andere splitsingen: 1 + 4, 4 +1, 2 +3.

De opgaven in het boek gaan natuurlijk ook over splitsen. Zo worden bijvoorbeeld in onderstaande opgave 6 balletjes verdeeld in rood en groen.

Op welke manieren kan je 10 splitsen? Om dat overzichtelijk te laten zien leren de kinderen in Alles Telt een ‘splitsflat’ te maken. In een splitsflat staan alle mogelijke splitsingen van een bepaald getal. In het voorbeeld hieronder is dat 10.

In de splitsflat valt nog iets op. Er staat twee keer een nul in. Helemaal bovenaan en helemaal onderaan. Wat betekent 0?
We denken terug aan het voorbeeld van het groepje leerlingen in de klas. Er is nu een groepje met 10 leerlingen. Maar nu staan er 10 kinderen bij de deur en 0 aan de andere kant van het lokaal. Het groepje van 10 is nu gesplitst in 10 en 0. Dus 10 + 0 is ook 10.

Tot nu toe splitsten de leerlingen steeds groepjes zie ze helemaal konden zien. Alle kinderen, stippen of blokjes konden worden geteld. Maar dat kan niet altijd! Bij de volgende stap in het rekenen ligt er een petje over een groepje fiches heen. Als uw kind de splitsingen goed weet kan het deze vraag ook beantwoorden. Want 5 is nu bijvoorbeeld gesplitst in 1 + 4. 1 op de tafel en 4 onder het petje.

Op deze manier leert uw kind te rekenen met alle mogelijke splitsingen van de getallen tot en met 10. Deze splitsingen zijn heel belangrijk om goed en handig te leren rekenen. Bij het uitrekenen van heel veel sommen maakt u gebruik van splitsingen. Bijvoorbeeld als u 8 + 6 uitrekent. U kunt dan 6 splitsen in 2 + 4. Dat maakt de som veel makkelijker, eerst 8 + 2 en dat is 10 en dan nog 4, dus het antwoord is 14. Daarom is het heel belangrijk dat uw kind de splitsingen goed kent.

 

Getallenrij tot 20 en klokkijken

In dit blok leert uw kind verder te rekenen met getallen tot 20. Daarom leert uw kind eerst verder te tellen tot 20. De meeste kinderen kunnen dit wel uit het hoofd, maar weten ze ook hoe de getallen in elkaar zitten en wat ze betekenen? Hoeveel meer is 15 dan 14? Wat valt op aan het woord 15? Het is vijf en tien. Vijf en tien is samen 15. Dit geldt ook voor 13, 14, 16, 17, etc. Het is heel belangrijk dat uw kind deze logische opbouw van de getallenlijn begrijpt.
Daarom wordt er veel geoefend met het zoeken van getallen op de getallenlijn. De kinderen krijgen dan een getallenlijn waar een aantal getallen op missen. Bijvoorbeeld zoals onderstaande som uit het werkschrift. Bij deze som bedenken de leerlingen zelf welk getal er in de hokjes moet staan.



Zo leren de kinderen spelenderwijs de getallenrij tot 20. Een belangrijk begrip hierbij zijn de 'buurgetallen'. Buurgetallen zijn de getallen die op de getallenlijn voor en na een getal komen. De buurgetallen van 11 zijn dus 10 en 12. Bij het leren van de telrij en het maken van sommen is het heel handig om te weten wat de buurgetallen zijn.
Bij de volgende opgave zoeken de leerlingen de buurgetallen. Wat komt voor 11 en wat komt na 19? Als hulp staat bovenaan de opgave de getallenrij tot 20.


Dit blok maakt uw kind een begin met klokkijken. Ook bij het klokkijken is het heel handig om te weten wat de buurgetallen van 11 zijn. Eén uur eerder is 10 uur en één uur later is 12 uur. Waar kan je een klok allemaal voor gebruiken? Waarom is het handig een klok bij je te hebben als je met de bus gaat? Lopen alle klokken eigenlijk gelijk?
Op school ervaren de kinderen hoe lang een minuut duurt. Ze moeten bijvoorbeeld een minuut stil zijn en daarna een minuut tekenen. Duurt de minuut nu steeds even lang? Het lijkt niet zo te zijn!
Daarna bekijken ze een klok. Er zijn twaalf uren. Dat betekent dat de kleine wijzer twaalf keer rond gaat voor hij weer op dezelfde plek staat! De kinderen mogen dat ook uitproberen.
Daarna mogen ze een aantal opgaven in het boek gaan maken. Eerst maken de leerlingen alleen opgaven met hele uren. De grote wijzer staat dan altijd bovenaan. Waar moet nu de kleine wijzer staan?