Terug

Wat leert uw kind in Groep 3, blok 3?

 

Blok 3 loopt ongeveer van half november tot aan de kerstvakantie. In die periode komen de leerlingen de volgende onderwerpen tegen:

  • Rekenen met het rekenrek
  • Spiegelen, verdubbelen en rekenen met geld

 

Rekenen met het rekenrek

Dit blok leert uw kind rekenen met een rekenrek. Hieronder ziet u opgaven waarbij een rekenrek wordt gebruikt. Op een rekenrek zitten 10 rode en 10 witte kralen. Als alle kralen rechts zitten is het rek ‘leeg’. Het gaat dus om de kralen die links op het rek geschoven zijn. Op het rekenrek linksboven kunt u zien dat er 6 rode kralen links zitten en de rest van de kralen rechts. Maar er is nog meer te zien. De 6 kralen zijn verdeeld in 3 boven en 3 onder. 6 is dus gesplitst in 3 + 3.

Wat is er allemaal bijzonder aan het rekenrek? Omdat er tien rode en tien witte kralen op het rek zitten, is het altijd zo dat als alle rode kralen links zitten het antwoord groter is dan 10. Neem de som 6 erbij 6. Deze kan op verschillende manieren worden opgelost. Uw kind pakt bijvoorbeeld eerst 6 kralen van de bovenste rij en schuift ze naar links. Dan neemt uw kind 6 kralen erbij van de onderste rij en schuift deze ook naar links. Nu zitten alle rode kralen links. Dat betekent alvast 10. Nu hoeft uw kind alleen nog de 2 witte kralen erbij op te tellen. 6 + 6 is dus 10 + 2 is dus 12!

Een andere manier om een som op te lossen laat Bente zien in de opgave hieronder.

Bente schuift alle kralen op de bovenste rij. Zij berekent de som 3 erbij 6. Eerst schuift ze drie kralen naar links en dan nog zes erbij. Nu ziet ze dat ze ook witte kralen op de bovenste rij gebruikt. Op de bovenste rij zitten 5 rode kralen, dat weet Bente. 4 witte kralen erbij is dus 9 kralen.

Het rekenrek helpt de leerlingen de sommen goed te overzien. De 20 kralen zijn op twee verschillende manieren verdeeld. Er zijn 10 kralen wit en 10 kralen rood, maar er zijn ook 10 kralen op de bovenste rij en 10 kralen op de onderste rij. 20 is dus verdeeld in 4 groepjes van 5. 5 is een overzichtelijk aantal. Groepjes van 1, 2, 3, 4 of 5 kralen hoeft uw kind waarschijnlijk niet meer te tellen. De leerlingen kunnen deze aantallen overzien. U hoeft de stippen op een dobbelsteen ook niet stuk voor stuk te tellen; u ziet wanneer u vier gegooid heeft. Ditzelfde geldt voor het rekenrek. Uw kind leert de aantallen kralen op het rekenrek te overzien, zonder te tellen.

In de opgave met Bente staat nog iets nieuws, het isgelijkteken (=). Op school is uw kind al gewend aan de taal van het rekenen. Erbij, plus, samen, is. Dit blok leren de kinderen daar ook de geschreven tekens bij te gebruiken (+ en =). In de klas wordt dit vaak geoefend op het bord. Problemen worden met de klas opgelost en op het bord wordt alles opgeschreven. Daarbij gebruikt de leerkracht de tekens. Vanaf nu gebruiken de leerlingen deze tekens ook zelf in hun werkschrift.

 

Spiegelen, verdubbelen en rekenen met geld

Een leuk hulpmiddel om mee te rekenen is de spiegel. Wanneer u een spiegel op een plaatje zet kan er vanalles gebeuren. Een taart met een hap eruit kan weer heel worden! Een lieveheersbeestje kan opeens weer 6 poten krijgen, of juist maar 4...

Maar ook knikkers op tafel kunnen worden gespiegeld. Er liggen bijvoorbeeld 3 knikkers op tafel. Op het plaatje hieronder kunt u zien wat de leerlingen op school met een spiegel en de knikkers doen. Het aantal knikkers verdubbelt! Als de spiegel naast twee knikkers gezet wordt, verschijnen er ook twee in de spiegel. 2 erbij 2 is 4. Door de spiegel steeds op een andere plek op het plaatje kan bijvoorbeeld ook het dubbele van 3 gevonden worden. 3 erbij 3 is 6.

Op deze manier spiegelen de kinderen allerlei plaatjes en aantallen. Onderstaande opgave laat zien hoe de kinderen op school de stap maken van het spiegelen van knikkers naar het maken van sommen. Op deze manier wordt de spiegel dus gebruikt om te begrijpen wat verdubbelen is.

Ook met geld kan goed worden gerekend. In Alles Telt wordt veel aandacht besteed aan het rekenen met geld. Dit blok maakt uw kind voor het eerst kennis met het rekenen met de euromunten van 1, 2, 5 , 10 en 20 cent. In onderstaande opgaven mogen de leerlingen snoep kopen. Hoeveel kost een waterijsje? Hoe kan je dat betalen? Welke munten gebruik je dan? Kan je dat ook met andere munten doen? Op welke manier gebruik je minder munten?

Dit oefenen de kinderen op school met plastic geld. De muntjes kunnen ze zo zelf steeds anders neerleggen. Door zelf te schuiven met de muntjes komen de kinderen erachter hoe je het geld kunt gebruiken en op welke manier je bijvoorbeeld 10 cent neer kan leggen. Ook in het werkschrift wordt hier aandacht aan besteed.