Terug

Wat leert uw kind in Groep 3, blok 4?

 

Blok 4 begint na de kerstvakantie en eindigt in februari. In die periode komen de leerlingen de volgende onderwerpen tegen:

  • Aftrekken en het min-teken
  • De rekentrein voor erbij en eraf

Aftrekken en het min-teken

Aan het begin van groep 3 heeft uw kind een start gemaakt met optellen. Uw kind kan, bijvoorbeeld met behulp van het rekenrek, zelf aantallen bij elkaar optellen. Het is belangrijk dat de kinderen veel oefenen met optellen. Dit blok maken ze dus veel sommen in hun schrift. Daarbij is het belangrijk dat ze netjes werken. Alleen als de kinderen netjes werken, kunnen ze zelf zien hoe ze gewerkt hebben. Ook de leerkracht moet kunnen zien hoe de leerlingen werken, anders is het veel moeilijker om ze te helpen als ze moeite hebben met een som.

Daarom is er dit blok extra aandacht voor het netjes werken in je eigen schrift. Er worden afspraken gemaakt over hoe de sommen worden opgeschreven. De leerlingen schrijven de sommen helemaal over en schrijven het antwoord en tussenstappen helemaal op. Ook wordt afgesproken hoe een fout verbeterd wordt. De leerlingen mogen de fout niet wegstrepen of weggummen, de fout blijft leesbaar in het schrift staan. Zo kan de leerkracht zien hoe de kinderen hebben gerekend en waar ze moeite mee hebben.

Dit blok leert uw kind iets anders met de getallen te doen dan alleen optellen. Wat gebeurt er in de volgende situatie? Er staan 10 pakjes melk op tafel. Drie kinderen pakken een pakje en drinken het op. Hoeveel pakjes melk zijn er nog over?

De som die bij dit verhaaltje hoort is 10 - 3 = 7. Uw kind leert dit blok dus iets nieuws: aftrekken. Hierbij gebruikt uw kind een nieuw teken; het min-teken (-). Deze eraf-sommen gaan allemaal over situaties waar een aantal dingen of mensen weg gaan. De kinderen gebruiken de eraf-sommen vooral om uit te rekenen hoeveel er van iets over blijft, zoals pakjes melk, mensen in de klas en stukken taart op een feestje.

Bij het uitrekenen kunnen de kinderen het rekenrek gebruiken, zoals in onderstaande som.

De leerlingen zetten eerst 10 kralen op. Dit is de hele bovenste rij van het rekenrek, vijf rode en vijf witte kralen. Vervolgens schuiven ze het aantal kralen dat eraf moet naar rechts (zoals de pijl bij de opgave hierboven laat zien). De eerste som is 10 - 2. Ze schuiven dus 2 kralen naar rechts. Nu zien de kinderen meteen hoeveel kralen er over blijven. 5 rode en 3 witte kralen, dus 8 kralen. 10 - 2 = 8.

Op deze manier kunnen ze ook sommen boven de 10 maken. Zoals in onderstaande opgave. Het kleine plaatje van het rekenrek linksboven betekent dat de kinderen het rekenrek mogen gebruiken bij het uitrekenen van de sommen.

 

De rekentrein voor erbij en eraf

Optellen en aftrekken hebben veel met elkaar te maken. Om dat te laten zien, speelt uw kind in de klas dat het in de trein zit. De leerkracht is de conducteur. De conducteur wil graag weten hoeveel kinderen er in de trein zitten. Eerst is de trein nog leeg. Dan stappen er 5 kinderen in. Hoeveel kinderen zitten er nu in de trein? 0 + 5 = 5. De trein rijdt verder en er stappen nog 3 kinderen in. 5 + 3 = 8. Maar bij de volgende halte willen er 2 kinderen uit de trein. Wat gebeurt er nu? Er zijn 8 kinderen in de trein en er gaan er 2 weg. 8 - 2 = 6. Nu zitten er dus nog 6 kinderen in de trein. Zo stappen er steeds kinderen in en uit de trein.

In de trein uit bovenstaande opgave zitten 12 poppetjes. Bij het plaatje ernaast staan 3 poppetjes naast de trein. Er zijn dus 3 poppetjes uitgestapt. Hoeveel zitten er nu nog in de trein? 12 - 3 = 9. Er zitten nu dus nog 9 poppetjes in de trein.

Maar wat gebeurt er als bij een halte mensen instappen en mensen uitstappen?

Bij onderstaande opgave gebeurt dit.

Linksbovenin zitten 12 poppetjes in de trein. Bij het plaatje rechts stappen 5 poppetjes in. 12 + 5 = 17. Maar in bij het onderste plaatje stappen weer 3 poppetjes uit! 17 - 3 = 14. Bij deze opgave gebeuren er dus twee dingen. Eerst stappen 5 poppetjes in en daarna stappen er 3 poppetjes uit. Dat zijn dus twee sommen, een erbij-som en een eraf-som. Eerst 12 + 5 = 17 en daarna 17 - 3 = 14. Er zitten op het onderste plaatje dus nog 14 poppetjes in de trein. Klopt het?

Deze sommen oefenen de kinderen ook zonder plaatje erbij. Bij het berekenen van de sommen denken ze wel aan de trein. De leerlingen helpen elkaar en overleggen hoe de sommen kunnen worden uitgerekend. Bij onderstaande opgave gaat het over de trein, maar staan er geen plaatjes meer bij.

Ook met het rekenrek kunnen er kralen bij en weer af worden geschoven. Bijvoorbeeld de sommen 10 + 3 = ... en 13 - 3 = ... Deze sommen hebben veel met elkaar te maken. Wanneer uw kind het rekenrek gebruikt, zal het dat zelf zien. De kinderen zetten eerst 10 kralen op. Daarna schuiven ze er 3 bij. 10 + 3 = 13. De volgende som lijkt hier erg op. De kinderen schuiven dezelfde 3 kralen weer terug. 13 - 3 = 10. Op deze manier kan uw kind heen en weer blijven schuiven! 10 + 3 = 13 - 3 = 10 + 3 = 13 - 3 = 10!